Aan zichzelf

De schilder Odilon Redon bracht zijn jeugd door op het oude, nogal verwaarloosde landgoed Peyrelebade in de Medoc, de streek die ligt ingeklemd tussen de monding van de Garonne en de Atlantische Oceaan. Het gebied was beroemd om zijn wijn, maar kende ook grote, heel desolate gebieden. Peyrelebade werd omringd door wijngaarden en oude boomgroepen. Verderop lagen de heidevelden en verwilderd land. De wegen waren slecht begaanbaar, meer modderpoelen dan karrensporen, en leidden vaak diep de wildernis in. Nergens waren stukken grond omheind. Alles leek van iedereen te zijn.
Zijn ouders woonden niet op het landgoed. Zij lieten de zorg voor Odilon en zijn oudere broer over aan een oom, die het landgoed beheerde.
Odilon leed onder een zwakke gezondheid. Hij had last van epileptische aanvallen en was vaak droevig gestemd. Van de dokter mocht hij zich niet inspannen en ook niet te hard studeren. Hij ging daardoor pas laat naar school. Op het landgoed kwamen niet veel mensen langs. Als er al eens iemand op bezoek kwam, was het een van de arme, schuwe bewoners uit de streek die werkzaamheden verrichtte op het terrein.
Odilon Redon was vaak alleen. Het liefst keek hij vanuit de schaduw naar de wereld. Hij was dan zelf onzichtbaar en zag alles tot in de details tot leven komen. Bijna elke dag ging hij erop uit, de wildernis in, want hij had alle tijd om de streek te verkennen. Niet om daar hele einden te wandelen, maar om ergens in de hei op zijn rug te gaan liggen en naar de wolken te staren en er steeds andere gedaanten in te zien. Draaide hij zich om, dan kwam hij in een bijna tegengestelde wereld terecht en verloor zich daarin. Hij zag hoe de microwereld tot leven kwam en ook steeds vernietigd werd, een proces waarop hij geen invloed had. In zijn schetsboek probeerde hij het vast te leggen. Het was in zijn ogen het raadsel van de oorspronkelijkheid: alles was onderhevig aan een willoze, heel machteloze onmenselijke kracht. Die kracht wilde hij zijn als hij tekende.
Geregeld maakte hij een wandeling naar een Mariakapel die dicht bij het landgoed lag en bad daar tot de heilige. Na zijn laatste bezoek verdween de epilepsie. De kwaal kwam nooit meer terug.
Zijn broer speelde prachtig piano. De muziek klonk elke dag door het huis. Odilon zei later dat hij was geboren op geluidsgolven.
Hij werd verrast door de veranderingen die hij van de ochtend tot de avond zag plaatsvinden: in de nuances van het licht, de natuur, de mensen. Elke avond zag hij hoe alles wat vorm had door de vallende duisternis werd opgegeten. ‘s Nachts, in bed, volgden vreselijke nachtmerries.
Op den duur zag hij alleen maar schaduwen. Daarin hield zich van alles schuil. Het kon elk moment tevoorschijn komen en gaan leven. Eigenlijk keek hij door het donker heen. Daarom begon hij een tekening altijd met het zwart maken van het witte papier. Wit was de dood zelf. Zwart ontdeed het van zijn vernietigende kracht. Als hij het papier zwart maakte, kwam het leven tevoorschijn. Hij hoefde het maar te volgen met zijn tekenende hand.
Dingen en mensen hadden in zijn ogen geen contouren. Die tekende hij dus niet. Het was het verstand dat daar een grens legde, dat het een van het ander scheidde en de wereld in stukken opdeelde. Zijn tekeningen hadden die grens niet nodig, want alles was deel van een alomvattend geheel. En wat was, bleef nooit hetzelfde. Een oog nam de vorm aan van een gezicht, het gezicht werd een ster aan de hemel, de hemel transformeerde tot een veld vol bloemen, een bloem werd zon, de zon een oog.
Het liefst gebruikte hij houtskool: het was het grofste, meest weerbarstige tekenmateriaal. Hij zei dat houtskool zo zwart en subtiel was, dat een mens er zijn hele leven voor nodig had om het te kunnen hanteren. Een tekenaar die met houtskool werkte, moest ernstig van gemoed zijn en openstaan voor de seizoenen die zijn geest beïnvloedden. De combinatie van ernst en houtskool maakte dat hij tijdens het tekenen voortdurend waakzaam en zorgzaam was. Ernst en houtskool konden ook heel lelijke tekeningen veroorzaken.
Het zwart maken van het papier lukte nooit helemaal. Doordat houtskool brokkelig van structuur was, liet het tintelingen door. Hij gaf zich eraan over, liet het alle ruimte innemen. Pas als het zwart op het papier was gezet en de eerste vormen opdoemden, werd zijn eigenzinnigheid wakker en begon hij het beeld te transformeren. Niet omdat zijn wil zei dat hij dat moest doen, maar omdat de tekening erom vroeg. Bepaalde hij zelf wat kwam, dan mislukte het werk. Tekenen was datgene wat in zijn innerlijk leefde naar het licht brengen, ook al werd het beeld daardoor gitzwart. Het was suggereren en proberen, daarin de wetten van het zichtbare en waarschijnlijke volgen, om het meest onzichtbare en het meest onwaarschijnlijke tot leven te kunnen wekken.
Volgens Odilon hielden de meeste mensen niet van zwart. Zij hielden ook niet van tekeningen. Mensen waren bang voor het onverwachte en ondefinieerbare. Maar ‘het zwart laat zich niet prostitueren’, zei hij. Een tekening kreeg alleen een titel als die het mysterie van het werk vergrootte en nog onbepaalder maakte.
Odilon zag dat in ieder mens een kunstenaar school en dat iedereen gelijke mogelijkheden had om de kunstenaar in hemzelf naar buiten te brengen, maar dat het soms niet lukte en dat niemand wist waarom dat zo was. Een mens moest in elk geval gezond zijn, een leven leiden met veel rust en bescheiden en eenzaam zijn om kunstenaar te kunnen worden. Pas dan kon hij levenslustig zijn en zijn instinct volgen, pas dan werden de duisternis en het houtskool onthuld en toonde de materie haar geheimen en eigenschappen – die zich aan elke analyse onttrokken.
Maar voor wie echt oud was, was houtskool niet meer te hanteren. Het sloopte degene die tekende.

 

Dit verhaal is afkomstig uit het boek ‘Oerstof’, dat in april 2016 verscheen bij De Ketelfactory. Het boek bevat twintig van mijn verhalen over ‘het begin van kunst’. Daarnaast bevat het foto’s van de tentoonstelling ‘Snapshot of a larger order’ en een DVD over de twintig kunstenaars in die tentoonstelling. Zie bij Publicaties.

Posted on