De holenmensmens

1

In 2001 maakte de Zwitserse kunstenaar Thomas Hirschhorn enkele notities over grotten. Hij schreef dat er in de wereld echte grotten en nepgrotten bestaan. Dat echte grotten oud zijn. Dat nepgrotten oud of recent kunnen zijn en dat er echte grotten zijn waarin geen schilderingen of andere menselijke sporen zijn gevonden. Dat daar misschien wel ooit mensen zijn geweest maar dat hun sporen zijn uitgewist. Dat daar misschien nooit mensen zijn geweest. Dat er nog niet ontdekte grotten zijn waarin wel of geen schilderingen of andere menselijke sporen zullen worden gevonden. Dat echte grotten bestaan uit niet-architectuur en dat het niet-hiërarchische ruimten zijn. Dat ze kunnen worden gereproduceerd en nepgrotten worden. Dat het als gevolg van bovenstaande mogelijk moet zijn een echte grot te maken die ook meteen een nepgrot is.

2

Op 3 maart 1972 zette het onbemande Amerikaanse ruimteschip Pioneer 10 koers naar Jupiter. De missie was erop gericht zoveel mogelijk te weten te komen over de planeet en zijn manen, en over de buitenste regionen van het zonnestelsel. Na een voorspoedige reis van honderdtachtig dagen bereikte de Pioneer de Planetoïdengordel. Daarin bevonden zich veel rotsblokken, maar de Pioneer vloog er ongeschonden langs.
Twee jaar later passeerde het schip Jupiter op een afstand van zo’n tweehonderdduizend kilometer. De apparatuur aan boord registreerde dat op de planeet bliksem voorkwam en dat ze meer manen had dan werd verwacht. Io, zoals een van de manen werd genoemd, was vulkanisch erg actief. De fotografische opname ervan ging verloren doordat de hoge straling in het ruimteschip de computer ontregelde.
Na het passeren van Jupiter zette de Pioneer koers naar Aldebaran, een ster in het sterrenbeeld Stier. Men verwachtte dat de reis twee miljoen jaar ging duren. Het ruimteschip zou onderweg genoeg tijd hebben om de aandacht te trekken van buitenaardse wezens. Met dat vooruitzicht werd onder het toestel een gouden plaquette geschroefd waarop in schematische lijntekeningen een naakte man en vrouw, het ruimteschip, het zonnestelsel en de trillingsfrequenties van een zuurstofatoom waren afgebeeld.
Door het haperen van het instrumentarium en gebrek aan geld bij de NASA, werd het volgen van de Pioneer vanaf aarde gestopt. Alleen incidenteel werd nog contact gezocht. Op 27 april 2002 zond de Pioneer een laatste signaal uit.

 

3

In 1983, twintig jaar na de ontdekking van de grot van Lascaux, werd op tweehonderd meter afstand van het origineel een replica gebouwd. Specialisten goten het gangenstelsel met behulp van computertechnieken in beton. De Franse kunstenaar Monique Peytral dupliceerde met haar team de schilderingen op de uitgeharde wanden.
Vanaf de opening werd Lascaux II overspoeld door bezoekers. Duizenden bewonderen de nageschilderde voorstellingen in de nagebouwde grot. Doordat de ansichten van de nepgrot scherper en kleurrijker waren dan die van de echte grot, werden die kaarten beter verkocht dan de kaarten van de echte schilderingen uit de echte grot, die de bezoekers niet hadden gezien. Bij de uitgang werd iedereen gefotografeerd als bewijs van het gemaakte bezoek en gewoon ook zoals men gewend was bij het verlaten van grotten.
Na jaren van intensief gebruik werd de nepgrot vanaf 2008 een aantal maanden per jaar gesloten vanwege de schade die werd aangebracht door het toegestroomde publiek. Op veel plaatsen moesten het beton en de schilderingen worden gerestaureerd.

 

4

In Zwitserland worden veel tunnels geboord om de bevolking zo snel en zo horizontaal mogelijk te laten reizen. Na vijftig jaar voorbereidingen begon in 1996 in het Gothardgebergte, middenin de Zwitserse Alpen, de bouw van de langste tunnel ter wereld, meteen al de Tunnel van de Eenentwintigste Eeuw genoemd. Hij zou uit twee buizen bestaan en vooral bestemd zijn voor vrachtvervoer per spoor. De tunnel werd zevenenvijftig kilometer lang en kwam op een diepte van vijftienhonderd meter onder het aardoppervlak te liggen.
Tweeduizend arbeiders werkten veertien jaar lang in een permanent proces vierentwintig miljoen ton steen weg. Op 15 oktober 2010 om zeventien minuten over twee in de middag was de doorboring van de eerste tunnelbuis een feit. Onder daverend applaus werd de Zwitserse vlag gehesen.
In 2017 wordt de tunnel in gebruik genomen. De afstand van Zürich naar Milaan kan vanaf dat moment in twee uur en veertig minuten worden afgelegd, een uur minder dan voorheen.

 

5

Op 10 februari 2002 verscheen in de New York Post een artikel van journalist Mark Stamey over een recent ontdekte ‘holenmens’ in Manhattan. De mysterieuze mensachtige bleek de dertigjarige Omar Torrez te zijn, een Ecuadoriaanse immigrant die al maanden in een afgelegen gletsjerspleet in het Inwood Hill Park, een natuurgebied van tachtig hectaren groot op het eiland Manhattan, bivakkeerde. De dag voorafgaand aan zijn ontdekking leidde een parkwachter twintig kinderen door de grot, zonder dat een van hen de bezittingen van de bewoner opmerkte.
De grot bestond uit mica, legde de parkwachter aan de kinderen uit, een zachte steensoort met vlekjes die schitteren als de winterzon erop schijnt. In een diep verleden hadden Indianen de plek gebruikt als een tijdelijke rustplaats die ze aandeden op hun lange trektochten door dit deel van Amerika. Als een motel, lichtte de gids toe. De rotsen hielden de grot in de zomer koel en in de winter relatief warm. Dat effect was te versterken door iets groots in de ingang van de grot te plaatsen, zodat de wind werd buiten gehouden. De kinderen merkten op dat het ‘iets’ nu ontbrak.
Toen het groepje de grot had verlaten, kwam Torrez tevoorschijn. Snel controleerde hij of zijn spullen er nog waren. Zijn slaapzak lag zorgvuldig opgerold in een donker hol en zijn radio zat ingeklemd tussen twee rotsen. Precies zoals hij ze had achtergelaten.
In de vierentwintig uur na het bezoek van de kinderen werd de grotbewoner ontdekt. Journalist Mark Stamey kreeg een tip en ging meteen naar het Inwood Hill Park. Hij sprak de man aan. Een beetje schuw, maar zonder angst, legde de gladgeschoren, kortharige immigrant in Spaans en gebroken Engels uit hoe hij daar leefde en aan voedsel en kleding kwam. Bij de supermarkt wisselde hij lege blikjes frisdrank in. Daarvan had hij genoeg kleding kunnen kopen om de winter door te komen.
Na het korte gesprek gooide de holbewoner twee plastic zakken vol frisdrankblikjes over zijn schouder, sprong op een splinternieuwe blauwe fiets, zei dat hij terugkwam zodra hij weer geld had, en snelde weg door het park.

 

6

Rond dezelfde tijd werd in Frankrijk een jongen veroordeeld omdat hij in een grot in de buurt van Marseille graffiti op de wanden had gespoten. Op die prehistorische locatie hadden mensen duizenden jaren eerder precies hetzelfde gedaan.

 

7

In datzelfde jaar begon Hirschhorn aan de bouw van de installatie Cavemanman. Hij toonde het werk in een galerie in New York. Zeven jaar later was de installatie opnieuw te zien, in de groepstentoonstelling Life on Mars in het Carnegie Museum of Art in Oakland, Californië. Daar probeerden (volgens een recensent) veertig kunstenaars duidelijk te maken dat de mens al sinds tijden op Mars woonde en dat de Marsbewoner allang in de aardse mens was geïmplanteerd. Ze vroegen zich af waarmee ze zich nog konden verbinden. Het verlangen daarnaar leek eigen aan de mens, aangezien die zich zelfs wilde verbinden met Mars.
De heropgebouwde installatie Cavemanman gaf volgens dezelfde recensent als geen ander werk de mogelijkheid te verbinden. Het was een labyrintisch geheel van grillige wanden en diepe holen, opgebouwd uit karton, plastic, hout, aluminiumfolie, tape en andere dagelijkse materialen. Aan de wanden hingen afbeeldingen uit tijdschriften naast pagina’s uit filosofische boeken. Her en der doemden beelden op van het interieur van de nepgrot Lascaux II. Tegen de wanden waren ook productmerken aangebracht die vergelijkbaar waren met de tekens en markeringen die in echte grotten werden gevonden. Op de kruispunten van gangen stonden etalagepoppen. Zij waren omwikkeld met aluminiumfolie en door middel van nepexplosieven verbonden met de wanden. De grot werd verlicht door felle TL-buizen die op ooghoogte waren gemonteerd. In een doodlopende ruimte waren de wanden bedekt met de steeds herhaalde leus ‘one man = one man’. Wie er kwam kon niet verder en raakte verstrikt in de rondcirkelende woorden.
Opvallend ook waren de klokken die aan de wanden hingen en allemaal gelijk stonden, gelijk zelfs met de tijdklokken die waren verbonden met de explosieven. Het was tien over tien en het bleef tien over tien. Het was het moment waarop de bezoeker de grotwereld betrad en het zou daar altijd dat moment zijn. Zodra iemand deze wereld inkwam, nam hij een risico. De tijdklokken konden de dynamietstaven precies dan tot ontploffen brengen. Het binnengaan zou meteen de definitieve uittrede zijn. Het deed denken aan de woorden van Georges Bataille, te lezen in een van de boeken die in de grot aanwezig waren, namelijk dat de grot een val is, met het wild er al in.
De grot was eindeloos, ook al liep hij op veel plaatsen dood, want de gangen gingen in elkaar over, werden wanden, plafond en vloer. Er was zoveel te zien en te lezen dat het niet allemaal in één bezoek kon. Wie in de grot verkeerde kon er altijd blijven, want elk boek kon worden opengeslagen en gelezen en herlezen en weer anders begrepen worden, en al het aanwezige kon met iets anders in verband worden gebracht. Wat werd vergeten dook verderop, in ander verband, weer op. Het zou altijd teveel, te verwarrend, te onaf zijn.
‘De grot is in je brein, in je geest,’ zei Thomas Hirschhorn. De geest is er altijd, maar de mensen moeten er willen binnentreden en de verborgen gangen en uithoeken ontdekken. De wereld in de grot lijkt op de wereld buiten. Het is de wereld van één mens en het toont tegelijk de hele menselijke cultuur. Het besef dat de grotten bestaan en eindeloos zijn te doorzoeken, is wat ze de mensen bieden. Degene die de grot beschilderde wist dat en liet het zien.
Volgens Hirschhorn moeten grotten blijven bestaan om de cultuur te kunnen herbergen, aangezien dat elders niet of niet genoeg gebeurt. Grotten moeten altijd worden bezocht, omdat de mens anders echt uitvliegt naar Mars en straks niemand meer weet dat hij van Aarde komt. Mensen moeten altijd aan grotten blijven denken, altijd onthouden dat er boeken zijn die kunnen worden opengeslagen en gelezen, op elk moment. Want een mens is een mens. Pas als hij dat beseft kan hij uitzwermen over de aarde en de grot deel laten zijn van de geest van de wereld. ‘Ik had een wand nodig om die boodschap aan op te hangen.’

 

Dit verhaal is afkomstig uit het boek ‘Oerstof’, dat in april 2016 verscheen bij De Ketelfactory. Het boek bevat twintig van mijn verhalen over ‘het begin van kunst’. Daarnaast bevat het foto’s van de tentoonstelling ‘Snapshot of a larger order’ en een DVD over de twintig kunstenaars in die tentoonstelling. Zie bij Publicaties.

Posted on