Zien

Op 16 april 1889, om kwart voor twee ‘s middags, werd Alberto Caeiro in Lissabon geboren. Er stond die dag een frisse noordenwind.
Op jonge leeftijd verloor hij zijn ouders. Zij lieten hem genoeg geld na om zijn verdere leven van te rentenieren. Hij was toen nog te jong om zelfstandig te kunnen wonen en trok in bij een oudtante, op haar domein in de Ribatejo, een landelijke streek ten noorden van Lissabon. Tijdens zijn jeugd genoot hij geen ander onderwijs dan de lagere school.
Over Alberto Caeiro’s verdere leven is weinig bekend. Dankzij zijn latere leerlingen weten we dat hij een volle, blonde haarbos en blauwe ogen had waarmee hij vol vertrouwen de wereld inkeek. Zijn handen waren smal, maar de palmen waren breed. Hij was iets groter dan gemiddeld, vermoedelijk zo’n een meter vijfenzeventig, maar die lengte deed hij teniet door licht voorovergebogen te lopen.
Volgens zijn latere leerling Álvaro de Campos had Caeiro een Griekse uitstraling, waarmee hij bedoelde dat er een grote innerlijke rust van de man uitging. Als hij sprak, was zijn stem gelijkmatig. De toon ervan voegde niets toe aan wat hij zei. Zoals hij nooit naar stemmingen of meningen of betekenissen in zichzelf zocht, viel hij daar de buitenwereld ook niet mee lastig.
Wat er ook in hem omging, er lag altijd een glimlach om zijn mond. Niet spottend, cynisch of ironisch, maar ‘de glimlach van bestaan en niet van tot ons spreken,’ in de woorden van Álvaro de Campos.
Alberto Caeiro leefde teruggetrokken op het landgoed van zijn oudtante en zag weinig mensen. Literatuur en cultuur interesseerden hem nauwelijks. Hij had genoeg aan zijn intuïtie, waarvan zijn leerlingen zeiden dat die bovenmenselijk was.
Op het domein hoedde hij een kudde schapen. Daarnaast schreef hij gedichten. Het schrijven had hij op de lagere school geleerd, de poëzie kwam vanzelf naar hem toe. Vanzelf, want Caeiro hoefde niet op inspiratie of hevige emoties te wachten om te kunnen dichten. Hij vond zichzelf overigens geen dichter, omdat alles wat hij schreef voortkwam uit zijn waarneming. Meer dan ‘zien’ lag er niet aan zijn werk ten grondslag. Zijn horizon reikte tot waar zijn schapen graasden. Tot daar ging ook zijn poëzie.
Behalve aan de kudde hechtte hij zich aan niets of niemand, ook niet aan het leven. Van hem werd gezegd dat hij het meest ‘natuur’ was, zij het een ongebonden, heel afstandelijke natuur.
Kende Caeiro angst, kende hij liefde? Nee. Zijn toenadering tot de wereld bestond uit het hoeden van de schapen en het schrijven van de gedichten. Zonder de schapen zou hij een afwezige verschijning zijn die men van tijd tot tijd aan de kant van de weg kon waarnemen, meer niet. In dat geval had de literatuur er heel anders uitgezien. Maar dankzij de kudde kennen we nu regels als: ‘Ik ben niet eens dichter: ik zie.’
Alberto Caeiro ontdekte de poëzie op een, zoals hij het noemde, ‘buitensporig duidelijke dag’ waarover weinig meer bekend is dan dat het een dag was waarop hij verlangde veel te hebben gewerkt. Aan het einde van de dag moest hij bekennen dat hij niets had gedaan. Maar in dat nietsdoen had zich een groot mysterie aan hem geopenbaard, het Mysterie van de Natuur, waarover dichters zo vaak schreven. Hij had ingezien dat de Natuur helemaal niet bestond. Dat hij wel afzonderlijke bloemen en bergen en bomen zag, maar dat er geen geheel was waartoe alles behoorde. Daardoor kon er ook geen samenhang tussen de dingen zijn. De hang naar synthese bij veel dichters was in zijn ogen ‘een ziekte van het denken’. Voor hem hadden de dingen geen andere betekenis dan dat ze bestonden. In het zevenenveertigste gedicht van zijn cyclus ‘De hoeder van kudden’ zei hij dat dat de waarheid was die hij had gevonden, omdat hij hem niet had hoeven vinden.

Kort daarna, het was avond, liep hij langs de herberg van het dorp waar hij woonde. Bij de ingang stond een man met grote gebaren te oreren tegen de voorbijgangers. Hij sprak ook Caeiro aan, orakelde over de strijd voor rechtvaardigheid, over het lijden van de arbeiders, het zware leven van te moeten werken voor een hongerloon en de desinteresse die al dat leed bij de rijken opriep.
Caeiro bleef staan en kreeg tranen in zijn ogen. De man knikte hem toe, dacht dat hij beet had, medelijden had opgewekt. Maar Caeiro had nauwelijks naar zijn woorden geluisterd. Het lot van de mensen interesseerde hem niet. Al hun leed was volgens hem onnodig, want het was altijd het gevolg van bemoeienissen tussen mensen onderling. Dat hoefde je maar te laten om gelukkig te zijn. Nee, hij huilde omdat hij werd geraakt door een plotseling inzicht. Hij wist ineens zeker dat het geklingel van koeienbellen in geen enkel opzicht leek op het geklingel van de klokken in de kapel bij zijn huis. Daardoor wist hij meteen ook dat de mens de opdracht had te bestaan, zonder er verder over na te denken.
Voor Caeiro was het zijn zonder te denken niet zo eenvoudig en vanzelfsprekend als het op anderen kon overkomen. ‘Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien,’ stelde hij in een van zijn gedichten.
Bij het schrijven was hij nooit bezig met technische zaken als rijm of de vorm van het gedicht. Hij dacht en schreef ‘zoals bloemen kleur hebben’, maar wist tegelijk dat hij in zijn taal nooit zo volmaakt als de bloemen kon zijn omdat hem ‘de goddelijke eenvoud’ ontbrak ‘alleen mijn buitenkant te zijn’ – zoals hij inzag in gedicht veertien uit ‘De hoeder van kudden’.

Dat Caeiro’s werk is overgeleverd, is te danken aan de dichters die zijn leerlingen werden. Want zo afgezonderd als hij leefde, werd zijn werk wel opgemerkt, onder meer door de eerder genoemde Álvaro de Campos. Álvaro was geboren op 15 oktober 1890 aan de Portugese zuidkust, en was dus anderhalf jaar jonger dan Caeiro. Hij had in Schotland voor scheepsbouwkundig ingenieur gestudeerd en had daarna een reis door Azië gemaakt. Via Marseille was hij over land teruggekeerd in Portugal en had zich in Lissabon gevestigd. Een neef had hem op een dag meegenomen naar de Ribatejo, waar een zakenrelatie van hem woonde. Daar ontmoette De Campos voor het eerst Alberto Caeiro, die familie was van die zakenrelatie was.
De Campos raakte meteen betoverd door de glimlach die aldoor op de lippen van de dichter lag en heel licht was. Een glimlach ‘als welke men in verzen toedicht aan onbezielde schone dingen, alleen omdat we ze mooi vinden,’ verwoordde De Campos het later.
Caeiro stelde hem voor aan een andere gast, de dichter Ricardo Reis, een jongeman die toen al zijn leerling was, en fluisterde De Campos in het oor: ‘hij is heel anders dan u’. Voordat De Campos kon vragen in wat voor zin de ander anders was, voegde Caeiro eraan toe dat alles anders was dan al het andere en dat dat de reden was waarom alles bestond. Woorden die De Campos zo raakten, dat hij het gevoel kreeg op hetzelfde moment het leven opnieuw te beginnen.
Het gesprek tussen Caeiro en de gasten kwam op het onderwerp van de oneindigheid. Men discussieerde over de vraag of die nu wel of niet bestond. Caeiro zei dat hij niet in het bestaan ervan geloofde, omdat de oneindigheid niet was te zien en de eindigheid wel. De Campos vatte moed en vroeg de dichter of er, als alles eindig was, achter de eindige wereld niet toch iets oneindigs kon zijn.
‘Als het ophoudt komt daarna niets,’ antwoordde Caeiro. ‘Bestaan wil zeggen dat ergens iets anders is en dat dus alles begrensd is.’

Tijdens deze ontmoeting of kort erna maakte De Campos een wandeling door de streek. Het was een winderige dag. Hij zocht naar dichterlijke woorden om uit te drukken wat de wind hem wilde vertellen. De natuur om hem heen en zijn eigen gemoed werden erdoor in beweging gezet, maar wat de wind precies zei, kon hij niet goed verwoorden.
Aan de kant van de weg stond Alberto Caeiro met zijn kudde. De Campos liep naar hem toe en na de begroeting vroeg hij de schaapshoeder wat de wind hem zei.
Zonder nadenken antwoordde Caeiro dat de wind waaide en eerder gewaaid had en weer zou waaien, en dat dat alles was wat je over de wind kon zeggen. Toen vroeg Caeiro aan De Campos wat de wind volgens hém zei.
De Campos antwoordde dat de wind hem heel wat meer vertelde, dat hij sprak van heel veel dingen, zoals ‘van herinneringen en verlangens, en van dingen die nooit geweest zijn’.
De mondhoeken van de herder krulden, zonder enige spot. Hij zei dat de ander de wind dus nog nooit had horen waaien, want de wind sprak alleen maar van de wind en van niets anders. Wat De Campos de wind had horen zeggen was een leugen, ‘en die leugen is in jou’.
Dat was het moment waarop De Campos besloot vaker terug te keren bij de herder en zijn leerling te worden.

Op een dag, veel later, kwamen de dichters Álvaro de Campos, Ricardo Reis en Fernando Pessoa samen in het huis van Caeiro. Ricardo Reis was bijna twee jaar ouder dan zijn meester. Hij was een classicus en monarchist die werkzaam was als arts, maar vooral bekend was om zijn poëzie. Daarin ging hij uit van de Griekse mythologie en van het werk van schrijvers uit de oudheid, zoals Horatius en Epicurus.
Op die bewuste dag spraken de dichters over het belang van de zintuigen. Caeiro verklaarde dat de mens niets anders was dan een van zijn eigen zintuiglijke sensaties; woorden waarover Reis even moest nadenken. Maar Pessoa wilde meteen weten hoe het dan zat met de werkelijkheid, waarvan die een sensatie was.
Caeiro zei dat er niets achter de werkelijkheid stak, aangezien er niets achter wat dan ook stak. ’Ik zie, maar ik weet niets. Ik noem een steen een steen alleen om hem te onderscheiden van een bloem of een boom – van alles, in andere woorden, wat geen steen is.’

Jaren eerder, op zondag 8 maart 1914, had Fernando Pessoa een glorieuze dag beleefd waarvan hij, zoals hij jaren later in een brief schreef, de ware aard nooit zou kunnen benoemen. Het was een koude dag geweest, de temperatuur lag rond de vijf graden en er viel wat lichte neerslag.
Kort daarvoor had hij het plan opgevat een grap uit te halen met een vriend, de dichter Mário de Sá-Carneiro. Pessoa had hem verteld dat hij een onbekende herderlijke dichter had ontmoet die hij graag aan de ander wilde voorstellen. In de dagen voorafgaand aan de afspraak ging hij aan het schrijven – niet vanuit zichzelf, maar vanuit deze dichter. Het lukte niet, er kwam niets goeds op het papier. Maar toen hij na uren werken de poging opgaf, liep hij ineens, op die bewuste zondag, naar zijn lessenaar en begon te schrijven.
Uit zijn pen vloeiden achter elkaar dertig gedichten die samen een cyclus vormden. Hij schreef er meteen de titel boven, ‘De hoeder van kudden’, gevolgd door de naam van de auteur, Alberto Caeiro. ‘In mij was mijn meester verschenen,’ zei Pessoa later over dat grote moment.
Het was nog niet alles. Op dezelfde dag schreef Pessoa nog gedichten in naam van Ricardo Reis en van Álvaro de Campos. De gedichten waren heel verschillend van stijl en inhoud, maar het was toch duidelijk dat beide schrijvers leerlingen waren van Alberto Caeiro, die aan dezelfde lessenaar juist zijn meesterwerk had voltooid. De drie dichters hadden in verschillende toonaarden en stijlen onverenigbare opvattingen over het bestaan verwoord.
Diep in de nacht schreef Pessoa onder eigen naam nog een cyclus, als om de meester en zijn leerlingen uit zich te bannen en terug te keren in zichzelf – zoals vertaler August Willemsen aan de gebeurtenis betekenis gaf.
Toen Pessoa de gedichten van Caeiro, Reis en De Campos overlas, zag hij dat ze ideeën en gevoelens uitdrukten die hij zelf nooit had gekend of nog zou kennen. Caeiro’s gedichten vond hij zo godslasterlijk en anti-spiritueel, dat ze hem zelfs tegenstonden. Maar, zei hij, ‘zo zal hij dus moeten schrijven, of ik wil of niet, of ik denk als hij of niet’.

Alberto Caeiro’s levenshouding was onleefbaar. Het zien zonder denken was niet vol te houden. In 1915, kort na de publicatie van de bundel ‘De hoeder van kudden’, overleed hij – officieel aan de gevolgen van tuberculose.
Álvaro de Campos was op dat moment in Engeland. Hij durfde de mensen die aan het sterfbed van Caeiro hadden gezeten niet lastig te vallen met de vraag hoe de laatste uren waren verlopen. Die onzekerheid bleef hem de rest van zijn leven achtervolgen. In zijn memoires, die dateren uit 1931, betreurt hij dat hij zijn meester zo vroeg heeft moeten verliezen. ‘Ik zie hem terug in de schaduw die ik in mij ben, in de herinnering die ik bewaar aan wie ik ben als dode …’
Op de dag van Caeiro’s overlijden was Ricardo Reis in Brazilië. Hij hoorde dat alleen Fernando Pessoa bij het sterfbed was geweest, ‘maar dat is hetzelfde alsof hij er niet was. Fernando Pessoa voelt de dingen wel, maar hij verroert zich niet, zelfs niet van binnen’. De enige troost die Reis ervoer, was ‘de troost die het denken aan mijn meester Caeiro mij spontaan geeft’.

De Campos en Reis overleden op dezelfde dag als Fernando Pessoa, op zaterdag 30 november 1935. De zon liet zich die dag nauwelijks zien, nog geen vierentwintig minuten, bij een vrij krachtige wind uit zuid tot zuid-west.

 

Dit verhaal is afkomstig uit het boek ‘Oerstof’, dat in april 2016 verscheen bij De Ketelfactory. Het boek bevat twintig van mijn verhalen over ‘het begin van kunst’. Daarnaast bevat het foto’s van de tentoonstelling ‘Snapshot of a larger order’ en een DVD over de twintig kunstenaars in die tentoonstelling. Zie bij Publicaties.

Posted on