Heimwee

Vanaf de heuvel bij de stad Sicyon is het uitzicht op de Golf van Korinthe uitzonderlijk. Het kan er gloeiend heet zijn en wie aan het einde van de dag naar boven loopt, zoekt gauw verkoeling in de schaduw van de stenen hut, waarin een herder zijn gereedschap bewaart.

Op zomeravonden schijnen de zonnestralen bijna horizontaal over het plateau, wat een prachtig gezicht is want de schaduwen van het weinige dat daar boven is, worden immens uitgerekt. Bewoners uit Sicyon maken geregeld de avondwandeling naar de hoogvlakte om hun eigen schaduw reusachtig groot over de hut te zien vallen – andere objecten zijn er niet. En zodra de zon achter de heuvel is verdwenen en de mensen in de schaduw van de glooiing weer teruglopen naar huis, vertellen ze elkaar het verhaal van wat zich daarboven lang geleden heeft afgespeeld.

Kora, de dochter van een pottenbakker uit Sicyon, liep in de zomer graag de heuvel op om er bloemen te plukken en van het uitzicht te genieten. Toen ze op een middag, op zoek naar wat schaduw, naar de hut ging, weidde een herdersjongen daar juist zijn kudde. Het duurde niet lang of hij liet zijn geiten in de steek en hielp het meisje met bloemen plukken. De rest van de dag genoten ze samen van het mooie uitzicht.

Na die eerste ontmoeting maakte Kora bijna dagelijks de wandeling naar boven. De twee troffen elkaar steeds op de heuvel. De zomer in Sicyon was nog nooit zo warm en schitterend geweest.

Toen Kora op een namiddag weer neuriënd naar boven liep, kwam haar vriend haar niet als anders tegemoet. Hij zat ineengedoken voor de hut, waarvan de stenen blakerden in de zon. Ze haastte zich naar hem toe, bang dat er iets zou zijn. De jongen stond op, nam zuchtend haar hand en vertelde dat de oorlog was uitgebroken. Hij was opgeroepen voor de strijd. Het was hun laatste middag samen.

Het licht was fel, de zon scheen recht in zijn gezicht en Kora bestudeerde daarin elk trekje, om het goed in te prenten.

Ze sloot haar ogen, wilde zien of ze het al voor zich zag, maar toen ze haar ogen weer opende, keek ze rakelings langs hem heen. Een schaduw viel op de zijkant van de hut: daar verscheen haar vriend voor de tweede keer, maar nu scherp afgetekend, eenduidig, heel sprekend!

Ze werd geraakt door het silhouet dat zo helder was en zonder details. De jongen voelde haar aandacht voor hem verslappen, draaide zich om, wilde zien wat haar zo greep. Maar Kora vroeg hem stil te blijven staan. Ze pakte een stuk krijtsteen van de grond en liep naar de fel belichte muur. Met het krijt tekende ze een lijn langs zijn schaduw op de muur. Terwijl ze dat deed keek ze hem niet aan, want ze moest zich concentreren op de lijn die ze trok. Had ze zich omgedraaid, dan had ze het silhouet niet meer gezien en haar geliefde niet kunnen tekenen.

Toen ze bij het einde van de lijn aankwam, verdween de schaduw van de muur. Haar vriend maakte aanstalten te gaan, en ging. Hij keek niet om, en was al weg.

Kora bleef achter met de tekening die haar enige houvast was, het laatste spoor van haar geliefde. Ze tastte de lijn af, op zoek naar de jongen, maar volgde ze de lijn dan zag ze geen gezicht en keek ze naar de vorm binnen de contour, dan stuitte ze op de stenen muur. Hoe ze ook zocht, haar geliefde vond ze niet terug.

Het regende in die streken zelden. De tekening bleef lang bewaard en Kora keerde er vaak bij terug. Telkens hoopte ze haar vriend te vinden, maar de tijd verstreek, de oorlog duurde voort.

Kora’s vader, de pottenbakker Butade, maakte dakpannen voor de huizen van Sicyon. Hij merkte wel hoe zijn dochter leed onder het gemis van haar geliefde en wilde haar graag helpen. Hij zou het portret van de herdersjongen willen boetseren, maar kende hem niet, had hem nooit ontmoet. Van de tekening op de hut had hij wel gehoord, iedereen in Sicyon kende dat verhaal.

Op een dag besloot hij de wandeling naar boven te maken. Op zijn rug droeg hij een in natte doeken gewikkeld stuk klei. Bij de hut gekomen vond hij de tekening, nog steeds herkenbaar. Hij drukte de klei binnen de contourlijn en boetseerde ter plekke een reliëf van het gezicht.

Een paar dagen later, toen het portret tussen de dakpannen in de oven lag te bakken, overvielen vijandelijke legers de stad. De soldaten sloegen alles wat hen voor ogen kwam kort en klein. Ook de bakkerij was niet veilig en toen een legeraanvoerder de werkplaats inspecteerde, ontdekte hij het reliëf. Een portret van een persoon was volgens zijn leer heel godslasterlijk, ook al was het portret van een goddeloze. De militair bedacht zich niet en onder het aanroepen van de hogere geest sloeg hij het beeld aan stukken. De dakpannen bleven gespaard.

Na de plundering van Sicyon restte voor Kora alleen nog de herinnering – al was het niet meer de lijntekening maar het in stukken geslagen beeld dat in haar geheugen stond gegrift.

De pannenbakkers van Sicyon trokken zich het lot van hun collega en zijn dochter aan. Ze besloten op alle dakpannen die ze nog zouden bakken een klein portret van Kora’s geliefde te boetseren – de jongen die ze nooit hadden gezien. Het was behalve een mooi collegiaal gebaar ook een daad van verzet tegen de vijand. En ze doen het nog tot op de dag van vandaag.

De geliefde is nooit meer teruggekomen, wie hij was is vergeten, maar in Sicyon zeggen ze dat sporen van de tekening nog altijd zichtbaar zijn op de muur van de hooggelegen hut.

Dit verhaal is afkomstig uit het boek ‘Oerstof’, dat in april 2016 verscheen bij De Ketelfactory. Het boek bevat twintig van mijn verhalen over ‘het begin van kunst’. Daarnaast bevat het foto’s van de tentoonstelling ‘Snapshot of a larger order’ en een DVD over de twintig kunstenaars in die tentoonstelling. Zie bij Publicaties.

Posted on