Sluit de gordijnen

Domenikos Theotokopoulos sluit de ramen van zijn atelier en schuift de gordijnen dicht. Door een kier sijpelt nog wat licht binnen. De contouren van het doek dat op de ezel staat zijn nog net zichtbaar, maar de schildering is niet te zien. Het werk staat omgekeerd. Hij legt zijn penseel neer. Het is te donker om te kunnen werken. Maar het is nog wel licht genoeg om een brief te schrijven. Hij verlangt ernaar met Giulio Clovio, die zijn beste vriend is, van gedachten te wisselen. Niet dat Giulio zal antwoorden – hij is jaren terug overleden.

Domenikos wil hem schrijven omdat de situatie in zijn atelier hem doet denken aan een ontmoeting die hij met zijn vriend had, jaren eerder, rond 1575 in Rome. Domenikos woonde en werkte toen in die stad en Giulio was op een dag naar hem toegekomen. In het atelier was het bijna even donker als nu en op de ezel stond toen ook een doek, maar daarvan was de beeltenis te zien, want Domenikos werkte er nog aan. Het was een portret van de architect Andrea Palladio, sober in zijn kleurstelling. De huid van de man was wat gelig uitgeslagen en die toonzetting had zich voortgezet in het gehele doek. Domenikos greep juist naar een penseel toen Giulio de deur opende. Het daglicht viel hard naar binnen.
‘Het is zo mooi zonnig en de stad ziet er zo feestelijk uit!’ riep Giulio uit. ‘Kom toch mee naar buiten!’

Domenikos reageerde niet. Zijn vriend kwam binnen en schuifelde op de tast tussen de voorwerpen die op de vloer stonden en bijna niet te zien waren naar de schilder toe. Met zijn voet raakte hij een aarden kruik.

Nu Domenikos aan het moment terugdenkt, herinnert hij zich de doffe klank van Giulio’s voet tegen de kruik die ongeveer voor de helft moest zijn gevuld. Hij ziet ook het schoteltje water weer voor zich dat op de grond stond en een geheimzinnig licht uitstraalde.

Toen Giulio Domenikos had gevonden, viel de deur zacht in het slot. Ze stonden in het volkomen duister. Domenikos groette niet, keerde zich niet om naar zijn vriend, maar zei: ‘Ik wil niet naar buiten, Giulio, want het felle daglicht verstoort mijn innerlijk licht.’

Nu Domenikos het moment weer voor zich ziet, herinnert hij zich ook dat hij de macht over zijn stem verloor toen hij de woorden sprak. Dat het was of de woorden niet van hemzelf kwamen maar als een dodelijke pijl op hem werden afgeschoten en hij niets anders kon zeggen.

Giulio was even later weggegaan en Domenikos had verder gewerkt aan het portret. Hij had zich moeilijk kunnen concentreren. Het was of de atmosfeer in beroering was gebracht door Giulio’s binnenkomst en dat zijn penseel daarna werd geleid door de zonnige sfeer van buiten die alles in het atelier had aangeraakt. De blik in de ogen van Palladio was ineens scherp en ironisch geworden, en had zich rechtstreeks tot hem gericht. Het schilderij was er minder sober door geworden.

Nu, zoveel jaar later, in een ander atelier en een andere stad, maar in een vergelijkbaar duister, ziet hij in hoe hij eraan gewend is geraakt zélf pijlen op anderen te richten. Op zijn modellen, van wie hij al schilderend de ziel en de persoonlijke geheimen wil ontrafelen. Wat hij schildert, schrijft hij aan Giulio, zijn de innerlijke roerselen van zijn modellen. De rest doet er niet toe, is gewoon verf.

Maar destijds in het atelier in Rome, toen hij antwoordde op de vraag van zijn vriend, leek hij zelf het model te zijn in de ogen van een andere schilder die in het atelier aan het werk was, en door hem te worden doorzien. Dat was precies waar hij niet tegen kon. Toen Giulio was vertrokken, wilde hij de gebeurtenis snel vergeten en gewoon verder werken, zich weer verdiepen in schaduwen en lichtval, in het weergeven van speeksel op de lippen van zijn model.

Hij schrijft zijn vriend dat hij in zijn schilderijen altijd streefde naar het verbeelden van het eeuwige en onvergankelijke, en dat hij nu wordt gedwongen zijn eigen eindigheid in de ogen te zien. Dat is al een tijdje aan de gang, maar door het op te schrijven bekent hij aan zichzelf dat het zo is.

Om de dood te leren kennen mengt hij hem elke dag op zijn palet met de kleuren van het leven. Alleen zo kan hij, dwars door de schittering van leven (waarover zijn modellen nog beschikken), een licht bedorven, ziekelijke glans leggen: die van hun ware gelaat. Elke dag nodigt hij de dood uit om in het schilderij te verschijnen. Hoe meer de dood hem nadert, hoe dichter hij bij een bekentenis kan komen. Bij deze hier, aan Giulio gericht, die de stap naar de eeuwigheid al heeft gezet.

Hij schrijft hoe hij steeds weer probeert zijn modellen tevoorschijn te trekken uit hun lichaamshuid. Als hij hun ogen schildert, glanst in de spiegeling daarvan de dood van het model en zijn eigen dood. In dat vonkje raken ze elkaar. En juist daar is het vol leven. Dat heeft het schilderen hem geleerd.

Mijn Giulio, schrijft hij, als je vandaag was gekomen en de deur van het atelier had geopend, had je opnieuw gezegd: ‘De voorjaarszon is zo aangenaam en maakt zo blij, kom, laten we naar buiten gaan!’ Vandaag, bekent hij, was hij met Giulio meegegaan. Als zijn lichamelijke gesteldheid het tenminste had toegelaten. Want die wordt met de dag minder. Eigenlijk is het enige licht dat hij nog kan zien in zijn steeds kleiner wordende, donkerende wereld, het licht van het contact via een brief. Deze brief.

Hij schrijft Giulio over het schilderij dat voor hem op de ezel staat en waarvan hij alleen de rug kan zien. Het is een gezicht op Toledo, de stad waar hij woont en werkt. De stad is ondergedompeld in een dramatisch licht. De huizen en torens glanzen als zilver. Ze liggen ingeklemd tussen de donkere lucht en het gifgroene, beklemmende landschap waardoorheen de Taag kronkelt. Het lijkt of een komend noodweer de stad zo kan wegrukken van de aarde en in de hemel kan doen opgaan. Maar eigenlijk is het een zelfportret, want Toledo zet hem als geen andere plek op aarde aan tot zelfonderzoek. De nauwe straten doen hem naar lucht snakken en naar ontsnapping verlangen. Daarom leiden ze op het doek recht naar de hemel toe. Het schilderdoek en de verf houden de boel nog bij elkaar, beter dan de architectuur van de huizen en het stratenplan dat doen, want die zijn onbetrouwbaar, daarin worden de bewoners hun leven lang fijn geplet en gemarteld. Toledo, schrijft hij, is de stad waar het vlees van de bewoners bij leven al ontbonden raakt als gevolg het extreme goddelijke licht dat hij, Domenikos Theotokopoulos, op dit doek heeft geschilderd.

Als het schilderij straks hangt aan een muur van het paleis, is het overgeleverd aan het luchtledige van de zaal en van de muur, want die betekenen niets, al zijn het een zaal en een muur in de stad Toledo. Nooit zal een schilderij zo verticaal ten opzichte van de aarde hangen als dit. Nooit zal een schilderij zo’n tot een vlak ingedikte diepte zijn. Zo los van zijn drager zijn.

Dit verhaal is afkomstig uit het boek ‘Oerstof’, dat in april 2016 verscheen bij De Ketelfactory. Het boek bevat twintig van mijn verhalen over ‘het begin van kunst’. Daarnaast bevat het foto’s van de tentoonstelling ‘Snapshot of a larger order’ en een DVD over de twintig kunstenaars in die tentoonstelling. Zie bij Publicaties.

Posted on